Zie ik jou of kijk ik weg?

Ik zit achterstevoren op mijn balkon en kijk de straat in via de spiegeling van mijn slaapkamerraam.

De fontein van de buren klettert de vijver in. Gebrom van langzaam rijdende auto’s kaatst via het glas mijn straat in, vervagend.

Een hoog overvliegende streep in de blauwe midochtendlentelucht, zoemt zacht.

De lantaarnpaal rust zwaar op mijn rechterschouder. Paddestoelen-daken wijzen verder die onbekende wereld in, richting de kerktoren die omhoog steekt uit mijn linkerhersenhelft. Er klapt een deur dicht, ergens, maar niet in mijn wereld, noch achter mijn rug. Het bestaat er niet.

De zon.

De zon in het glas van mijn droom verwarmt de rechterkant van mijn gezicht. Ik wil me niet bewegen. Gordijnen golven doorzichtig over de daken van buren, ze bestaan niet, wil het zeggen. Ook niet als iemand ergens om een hoekje een grasmaaier aanslaat, scheurend over mijn midochtendlenteluchtig balkon.

Ik kijk de spiegel van de wereld in, en de garage die zich stevig aan mijn linkerschouder vastklinkt bevestigt me star. De spiegel van de wereld is mooi. Ik draai me niet om, echt niet.

Zie_ik_jou_of_kijk_ik_weg_3 

Allemaal zien ze mijn blote rug.

En kijk ik ze recht in de ogen.

7 April 2009
By on 19:12
Oeh, spannend

De Magische Werkelijkheid

Literaire middag over magisch realisme in literatuur en beeldende kunst en muziek
28 maart 2009

Je loopt toevallig een boekhandel in waar je nooit komt en loopt de liefde van je leven tegen het lijf… Dromen kunnen zo levensecht zijn dat ze uren na je ontwaken je stemming nog beïnvloeden…

Soms lijken gebeurtenissen wel heel toevallig samen te komen – toevallige omstandigheden kunnen je levensloop diepgaand beïnvloeden.
Het ‘gewone’ biedt meer voor wie zich ervoor openstelt. De werkelijkheid kan magisch zijn…

Stichting Beeldspraak en Bibliotheek Nieuwegein organiseren in samenwerking met Kunstuitleen Nieuwegein onder de titel De magische werkelijkheid een middag over het magisch realisme in literatuur en beeldende kunst. Een aantal schrijvers leest voor uit eigen werk en enkele schilders en fotografen exposeren hun werk. Er is alle mogelijkheid voor het publiek om met hen in discussie te gaan over hun werk.

Verwacht worden: Chris Brussel (glaskunstenaar), Iris Creutzburg (schilderes), LeoArie Elsenaar (schrijver), Samantha Kraak (schrijfster), Athy van Meerkerk (schrijfster), Carien Touwen (schrijfster), Ad Witte (fotograaf) en Dick van Zijderveld (schrijver). Presentatie: Fred Goeth.

De bijeenkomst wordt gehouden op 28 maart 2009, van 13.00 – 15.30 uur.
Plaats: Bibliotheek Nieuwegein, Zadelstede 1-10, 3431 JZ Nieuwegein
Telefoon: 030 – 6045834

15 March 2009
By on 21:11
brief aan

Je vangen met een woord                                                                  -verloochenen, verheffen, verliezen-

Je warmen aan een woord                                                                 -wentelen, wensen, weerstaan-

Je horen in een woord                                                                       -hullen, halen, huilen-

Je ketenen aan een woord                                                                 -kwellen, kussen, kwijtspelen-

Je zwijgen in het woord                                                                     -zindering , zekerheid, zelfbedrog-

                                          

                                               Waarom schrijf je niet terug?

Veerkracht

15 December 2008
By on 19:33
BOEK!

Utopia_voorkant_3

Ver-woord

Mainstream. Een veelgebruikt Angelsaksisch woord binnen de schrijfwereld, waarmee zoveel bedoeld wordt als het midden van alles. Niet te makkelijk, niet te moeilijk, niet te doorzichtig, niet te verborgen. Het heerlijke midden tussen Leo Tolstoy en Jill Mansell. Mainstream betekent voor de schrijver succes en voor de lezer de garantie dat de verhaal­ontwik­kelingen te bevatten zijn. Mainstream biedt een korte ontsnapping aan de voorspelbaarheid van je eigen leven en het leidt bijna altijd naar een nieuw inzicht. Hoewel, nieuw? Eigenlijk had de lezer dat inzicht al. Daarom stemt het hem ook zo tevreden. Het feest der herkenning, verstopt in de aangename ervaring iets nieuws te hebben ontdekt.

Maar het is niet echt en de lezer weet dat. De realiteit zit anders in elkaar. Het leven bestaat door­gaans niet uit buitensporig heftige reacties op heel toevallige, maar wel sensationele gebeurtenissen. Slechts zel­den bestaat de mogelijkheid alle gebeur­te­nissen tot in de puntjes uit te zoeken inclusief een spannende reis naar Rome alwaar men interessante mensen ontmoet. Het leven bestaat uit ondoorzich­tige en complexe gebeurtenissen, die zich zelden ontrafelen tot een totale omslag van gedachten of stijl.

En dan zijn er dagen waarop hij meer wil dan de mainstream. Een glimp van die complexiteit. Voelen, zoeken, vastbijten. Zelden spreken we  met anderen over die diepte van binnen, maar wij voelen haar wel, en verbazen we ons over wat we in onszelf vinden. Een wereld die vreemd is en heldenloos, maar beslist kleurrijk. We beseffen dat het onder­zoeken van de wereld daar, de sleutel tot het schep­pen van nieuwe inzichten hier is.

    Zou het niet fantastisch zijn om dat te vinden in je boek, een blik in die vreemde, nieuwe wereld die ronddraait in het hoofd van de schrijver?

Voeren wij u met dit flitsboekje verder weg van de wereld, of halen wij u juist dichterbij?

    Ons uitgangspunt – Utopia is ver-lopen.

    Daarom schrijven wij.

    Ervaar onze flitsverhalen, vol kleur en leven.

    Echt leven.

Carien, Ingrid, LeoArie, Samantha en Sérgio

November 2008,  ISBN 978-90-811614-2-8.

28 November 2008
By on 11:53
Zomaar een avond

Mama_berg_2 We zijn de muziek voorbij,

de schemering is gestorven en niets rest ons dan leven onder de mantel van duisternis, slechts bijgelicht door een enkele kaars.

De dans is nog maar net begonnen en het ritme neemt bezit van ons met snelle voetstappen door kamers van het kloppend hart, vol losgeslagen bloedvaten, miljoenen uiteen.

Jouw tepels, vurig klimmend ijs, tegen de aardverschuiving van keel naar buik, het midden van de aarde,

een kloppend punt van ver voorbij de tekst van het lied.

Poelen van ogen overspoelen de kam, richting bron van verstrengeling, het vocht niet lessend, het vuur niet dovend. Jouw handen, donker hout geurt met bloemen uit je vingers, ik ontspruit onder de bijna-aanraking van de zon wanneer de toppen over mijn lichaam druppelen.

De kom van jouw adem ontneemt mij de rand en ik stroom ongecontroleerd via rots naar de zee van jouw bestaan.

Kan de zon de maan raken?

De aarde voelt zo los onder mijn voeten.

Ik word gedragen.

11 November 2008
By on 21:15
Een helblauwe vraag

‘Bloeit een verwelkende bloem nog?’

De wind slaat de vraag terug in mijn gezicht. Maakt dat hij ijl klinkt, vervlogen nog voor hij kans zag te groeien. De warmte van deze vreemde zon omhult me stevig, troost. Ik lig in een veld met aan het eind van de zomer wuivend gras, rijk gevuld met kleurend onkruid. Mijn stem weerklinkt vertrouwd door mijn geest, een mooie rustige intonatie, en een bevroren moment lang laat ik het beeld van de blauwe lucht met stilstaande witte wolkentorentjes samensmelten met vrede. Maar hoe is het mogelijk dat ze niet bewegen, terwijl het zo onaflatend waait? Hoe?

Er kriebelt iets in mijn nek! Weer een beestje. Ik ben bang voor beestjes. Een irrationele angst, dat weet ik, maar mijn machteloosheid tegen hun aanwezigheid, tegen de aandacht die ze vergen, is de grootste frustratie. Ik moet terug naar het huisje. Het moment was er, vrede, maar vluchtig, zoals altijd. Ik sta op en voel de striemen van het stugge gras op mijn dijen. Mijn zomerrok is een beetje vochtig geworden, is verkreukeld zoals ik, en ik kan niet strijken.

Met loodzware benen loop ik naar het gezellige vakantiehuisje met het karakteristieke hout en de drukke stilte. Een uur weet ik me te verstoppen voor mezelf en dan hou ik het niet meer uit.

Helblauw water onder een pastel hemel, dezelfde onbewogen witte wolkentorens, geklater van de spelende mens en het water op de stenen. Het zwembad; hoogtepunt van elk vakantieoord, gestoken in felgekleurde badlakens, de zon, en het blauwe water. Ik betreed de levende reclame en ga op een trapje zitten, het terras achter me, bevolkt door de acteurs van dit plaatje. Ik ben toeschouwer, ik word door niemand opgemerkt. Behalve door een kleine sluipwesp, waardoor ik me gedwongen voel een andere plaats in te nemen, die er eigenlijk helemaal niet is, waardoor ik besluiteloos half op sta, om toch maar weer te gaan zitten, en ik luister hoe mijn nek klaagt, mijn benen zeuren.

Maar dan zie ik Hem weer. Ik keek op, hij keek terug en nu loopt hij op me af. Ik had me dat eerder voorgesteld, maar nooit echt verwacht. Brede glimlach. Is deze kans mijn laatste? Wat moet ik doen? Ik kan mezelf niet zomaar aanbieden, al wil ik niets liever. De tragedie van elke liefde, groot of klein, maar gun me dit pleziertje.

‘Signora?’

‘Si?’

Terwijl hij zijn voor mij onbegrijpelijke vraag stelt, is de sluipwesp terug en onderzoekt het naar mij voorovergebogen gezicht. Hij gaat natuurlijk recht staan, wordt gedwongen zijn positie af te geven.

‘Do you speak english?’, roep ik haastig naar boven. 

‘Eh, no englis’, zegt hij, maar toont daarover minder berouw dan ik zou willen.

De glimlach weer, en zijn handen gaan vertwijfeld de lucht in. Mensen die hem kennen, trekken algauw zijn aandacht van mij en de sluipwesp weg. Hij zwaait half naar me, het oogcontact schrijnend kort, en loopt weg. Ik heb kramp in mijn benen en kaken, spring doelloos in het water, houd mijn adem in en koester de kortstondig verlossende watermassa boven me. Na het zwemmen van een moeizaam baantje strompel ik in mijn natte bikini terug naar het huisje. Misschien kan ik zijn blik vanavond wel vangen, vasthouden, tot me nemen. Je moet altijd alert blijven op een ontsnapping.

Airconditioning en een aanhoudend klakkend geluid dat muggen op afstand moet houden. Daar zit ook troost in. Alleen ik en mijn dunne, witte vakantielaken; de veren in het bed een kort moment onvoelbaar. Een restje adrenaline geeft voeding aan mijn oneindige vakantiefantasie, en even voel ik me zoals ik hoor te zijn. Ze zeggen dat seks een heler is. Ik ben alleen maar benieuwd of mijn lijf het ooit nog zal herkennen als wat het in die potentie is. Ik betast mezelf, geduldig, maar realiteit haalt me in en de springveren drukken venijnig in mijn geteisterde heupen. Toch zal ik slapen.

Ik ben niet een vrouw die bang is rokken te dragen en ik kijk graag naar vrouwen die nog meer durven. Ik heb erg mooie benen. Ze zijn nu best bruin, en als ik mij insmeer met de anti-muggenspray glimmen ze me verleidelijk tegemoet. Het is al donker en de salade was niet genoeg om lang tegen de witte wijn te staken. Een gloss op mijn lippen,  bravoure onder mijn arm en hakken die ik niet zou moeten dragen. En mooie benen. Ik sta op en vang de muziek op de wind.

Nu de warmte van de dag de dansvloer aan zee verlaten heeft, voelt de wind nat en fris en er kruipt kippenvel langs mijn enkels omhoog. Ik zie hem meteen. De onbetwistbare magneet die onze blikken doet blijven kruizen, heeft niet aan kracht ingeboet. Ik verstijf, plotseling koud en alleen, zonder mijn gebruikelijke savoir-faire. De herbevestiging van zijn aandacht put me een ogenblik uit. Adrenaline is zowel vriend als vijand.

Ik besluit tijd te winnen, overmand als ik ben door de belofte van de avond, die mijn nacht met hem zal worden. Aan de bar kijk ik een tel langs het van mij vervreemde lichaam naar beneden. Een rode jurk, al is het maar een bescheiden vakantievalletje, met lieflijke roze bloempjes erop. Bruine armen met rechts een donkerrode armband, net niet aangenaam contrasterend met het rood van de jurk, en nu ook, na een korte knik en een snelle uitwisseling, een rode cocktail, die zowel schrijnend als bemoedigend aanvoelt in mijn keel. Dan kijk ik op en zie ik me in de spiegel van zijn ogen. Een tel waaien mijn krullen door de tunnel van ons contact en zodra ik een hand hef ze weg te duwen, voel ik zijn aanwezigheid vergruizen.

De andere hoek van de dansvloer is leeg, en ik loop al, haastig, met grote passen en stokkende ademhaling over de gladde dansvloer, naar zijn nog steeds zichtbare silhouet vlakbij de strandopgang. De lichten verblinden me even, en zie ik mezelf bij herhaling dezelfde diagonale lijn lopen, zonder dat er een einde aan lijkt te komen. Mijn vermoeide benen herkennen en verwerpen de stappen die ik neem en ik voel me wankel. Met veel kracht dwing ik me opnieuw de richting te nemen die ik in een impulsieve reactie aanvankelijk had gekozen. Ik hoor en voel een zoemen in mijn nek, doordringend, indringend. Met mijn hand sla ik naar het vieze beest, maar mijn arm doet niet wat mijn geest opdraagt.

‘Signora?’

‘Si ?’

Terwijl hij zijn voor mij onbegrijpelijke vraag stelt, zweeft zijn gezicht vlak boven het mijne. Geen glimlach. Even wordt het zwart voor mijn ogen, maar dan schijnt er een fel licht in mijn gezicht en ik draai mijn hoofd weg, mijn ogen angstvallig dichtgeknepen.

‘Bloeit een verwelkende bloem nog?’

De wind slaat de vraag terug in mijn gezicht. Maakt dat hij ijl klinkt, vervlogen, nog voor hij de kans zag te groeien. Mijn stem weerklinkt vertrouwd door mijn geest, een mooie rustige intonatie, en een bevroren moment lang laat ik het beeld van de blauwe lucht met stilstaande witte wolkentorentjes samensmelten met vrede. Maar hoe is het mogelijk dat ze niet bewegen? Hoe?

Ik voel iets kriebelen in mijn nek. Het zijn die beestjes. Die vreselijke beestjes.

4 November 2008
By on 10:58
sites die ik regelmatig bezoek

http://www.aelberts.be

http://www.sergiodocarmo.com

http://www.carientouwen.com

http://www.blancoregel.org

http://www.opspraak.net

http://www.mantikos.nl/woordwerk

http://www.hannyhopman.nl/

http://www.versjeopverzoek.nl/


By on 09:42
Een wedstrijd die in de soep liep.

Een wedstrijd. De opdracht: in tweeduizend TEKENS de literatuur verenigen met culinaire creativiteit. De uitslag: koken is minder belangrijk voor me dan schrijven. De euforie: het bericht kent PRECIES tweeduizend tekens. Ach tja, the way the mind works… Met trots presenteer ik u hier een avondmaal. Wees gerust, het is lichte kost. Blijft er tenminste altijd ruimte voor een toetje…

OERSOEP

Een goede voorbereiding, daar begint het mee. Eens zien; de pan, vuur, water, en… KABAM! Soep. En nu een glaasje.

Het zoete nat vlijt zich tegen mijn tong, streelt, kietelt. Een heerlijke ontdekking deze wijn, al zeg ik het zelf. Even nadenken. Waarmee breng ik het verder op smaak? Ik wil er sowieso Licht in, als basis. Licht, Liefde, en een klein kneepje Vertrouwen om te binden. Niet teveel, anders wordt het een dikke brei. En nu, Venijnkel, ja, een beetje is altijd goed voor de afterbite. Dan ook Wraakwortelsap, die past er zo mooi bij. Verlangenaar erin; smaakt altijd naar meer, en… Perverselie? Nee, doe maar niet. Of toch, een snufje, om hem wat spannender te maken. Nu een scheutje Innocencia, voor de balans. Goed, even zien wat ik zal… De bel gaat. De klokken galmen na terwijl ik me naar de poort begeef om Luc binnen te laten.

‘Ben ik hier aan het juiste adres voor de magnifieke Chef de Cuisine, Sam de Schepper?’

‘Luc, Luc, kom toch binnen! Fijn dat je er bent. Ga zitten, dan schenk ik je wat in. Ik heb een heerlijk Divine uit Utopia, zeer zeldzaam.’

‘Toe maar, Sam, doe maar duur. Nee, heerlijk, echt, je verwent me altijd.’

Ik schenk Luc een glaasje in en we toosten. Luc kijkt bedenkelijk bij de eerste slok.

‘Wat is er Luc? Niet lekker?’

‘Nou, het is zo dat ik net thuis nog een glas Bruusk heb gedronken en vergeleken daarbij is deze wel erg zoet.’

‘Maar proef je dan niet die hemelse nasmaak? Ik vind hem echt superbe.’

‘Niet verkeerd, niet verkeerd, alleen een groot contrast met wat ik vanmiddag had. Vertel Sam, ik hoor dat je al wat op het vuur hebt staan. Mag ik even kijken?’

‘Welzeker, ga je gang. Het is een experimentje. Een soepje deze keer.’

‘Oh, lekker, wat voor soep?’

‘Ik noem het… Oersoep.’

‘Zit er vlees in?’

‘Ja, massa’s, maar wees gerust, het is Helal klaargemaakt.’

‘Ach, wat lekker! Alsof een serafijntje op je tong piest!’

‘Ik zeg niets Luc, de ingrediënten blijven mooi geheim.’

‘Verduiveld lekker soepje. Een interessante pancreatie, Sam!.’

‘Beste Luc, geniet ervan!’

2 November 2008
By on 21:47
Zal ik even langskomen?

Hoi Lieverd.

Ik schrijf je nu niet. Ik had zo’n zin om even te kletsen. Gewoon even vertellen, tegenover je zitten waarbij je de klank van mijn ogen ziet, en het beeld van mijn stem beluistert. Ik zit met het toetsenbord op schoot. Weliswaar op mijn bureaustoel, maar met mijn voeten op ‘t bureau, mijn blik ergens anders op gericht, de verte misschien, en ik luister naar de muziek op de achtergrond. Ik praat, pauzeer regelmatig, om weer een partje van mijn mandarijn te eten, en ik maak afwisselend oogcontact met je. Ik weet: onze lichamelijke nabijheid spreekt ook. Ik hoef nu geen tien kantjes te schrijven om je te verhalen van het mijne. Ik zit tegenover je, of naast je, of schuin tegenover je, of ik loop langs je heen terwijl ik wat te drinken pak, naar de buitendeur loop om in de deuropening een sigaret te roken, naar achter kijkend om gewoon verder te vertellen, en te luisteren naar hoe jij luistert, reageert, kort lacht soms en je ogen in de mijne klinkt om te vertellen dat jij er bent, met mij, naast mij, ookal schenk jij in de keuken ondertussen bij uitzondering een borrel, die we vervolgens weer terug in onze kring drinken op het leven. En jij vertelt wat jou die dag is ingevallen, en ik deel, vraag iets, je antwoordt, we lachen, ik neem een slok, trek mijn benen op de luie stoel waar ik inmiddels inzit, en mijn handen wiebelen wat, haast onmerkbaar, in mijn schoot terwijl ik de tekst van het lied hoor waarop de cd zojuist gesprongen is, even is het stil want ik luister, jij luistert, of mijmert en buiten trekt een auto zachtbrommend op -hij maakt een bocht, geluid vervormt, vervaagt- en ik hoor een verre roep, niet bedreigend, niet verhalend, gewoon een roep die vertelt dat wij niet de enigen op de wereld zijn, maar dat zijn wij wel, dat zijn we, want alle stemmen zijn stemmen zoals die in het lied, zoals die in mijn hoofd, prietpratend, rustig, zich niet drukmakend over welke woorden ik wel uit mijn mond laat komen en welke niet.

En ik ga verder, vertel je, mijn schoonmoeder belde gister, en nou, echt, niet te geloven wat daar allemaal uitkwam, echt, zo…. Ik rol met mijn ogen, geef je de blik van je weet wel mijn schoonmoeder, en jij neigt je hoofd naar rechtsonder, een beantwoordende glimlach om je mond, erkenning uitend, want, ja, dat is ook zo, die schoonmoeders- en dat soort verhalen, en er trekken beelden en herinneringen door je hoofd over toen, en toen en instemmend luister je naar de echo van het verleden en de vertellende klank van mijn stem. Je verschuift je bewustzijn, gaat mee op de reis van mijn verhaal, vraagt, maakt opmerkingen, geëngageerd, geprikkeld. Hier en daar mompel je een meeleven, en jeez, ja, nou dat zou ik ook, en lekker, net wanneer jij zo fijn in vel zat en zo uit de blauwe hemel. En de zanger van het lied zingt van de hemelsblauwe lucht en we lachen zacht, genotvol om de instemming van het lied, en ik moet eigenlijk nodig plassen en gemaakt gehaast ren ik naar de wc want het is ondergeschikt aan ons samenzijn en eigenlijk zou ik niet moeten hoeven plassen wanneer twee mensen twee mensen zijn, wijn drinken of dat andere, in een klein glaasje, zorgvuldig steeds kiezend of we er lekker nog een nemen of verwarmende thee gaan drinken, je weet wel, die ik daar en daar had gekocht en waarvan die en die had gezegd dat het echt een heel lekker en bijzonder theetje is, maar iets te knabbelen is natuurlijk ook lekker.

Ik zeg hé, even een kaartje trekken? En trouwens, ik had dat verhaal, LAX: City of Angels nog aan die bijzondere vrouw laten lezen, en jij zegt leuk, goed, we lopen naar de eetkamertafel, jij het doosje Angelcards in je handen, en dat je geschreven had en ook zo opgelucht was, van dat van de conjuctuur en wanneer het disconjuct is, en dat disconjuct ook precies van toepassing lijkt te zijn op dat rare omslaan van de stemming wanneer er plots iemand is die buiten de samenhang met een er niet bijpassende stijl door je verhaal heen gaat roepen. Zoals nu- en dan moet het eruitgeknipt, ookal vergeet je de woorden voorlopig nog niet, blijft dat nog roepen in je hoofd. Maar, het past niet enneh, van kill your darlings en in je ogen lees ik dat we het allebei grappig vinden dat dit het antwoord geeft op het verhaal dat ik je zojuist had verteld, en hoe dat dan gaat.

Goed, en we zijn stil. Altijd even stil zijn wanneer je een kaartje trekt. Over Trust en Harmony, over Simplicity en het waxinelichtje flakkert even omdat hij instemt gewoon een lieve, kleine, simpele kaars te zijn, en waarom zijn kaarsen eigenlijk meer chiq dan waxinelichtjes, maar ze branden natuurlijk wel minder lang, dus- maar toch zijn ze praktisch, geven gezellig licht en nu sta ik op, loop weer naar de deuropening, en je loopt mee en we lopen even de achtertuin in, kijken omhoog, een beetje bewolkt, donker, toch een ster, daar zie je?

En vind jij ook niet dat je kunt ruiken dat het herfst is, speciaal wanneer het donker is, de natuur ruig placht te zijn, de achtertuin dieper lijkt? We snuiven de wind op.

Want de wind fluistert, hoor jij dat ook? En ik ben blij dat ik even samen luister, samen vertel,

samen. En dat je tien dagen weggaat, dat is niet erg, want wij, wij praten gewoon verder,

op de wind

18 October 2008
By on 20:12
Brief aan Oscar van W., toneelschrijver.


Bloot.
Bloot houd je me in je vingers. Eigenlijk ben je niet thuis, niet bereikbaar.
Maak je een strandwandeling?
Bezoek je een grot?

Bloot wens ik nu voor je te staan. Niet naakt. Naakt kent geen tweespraak, naakt is alleen.
Bloot, met vele stemmen voor je. Veel vragen, een meelijwekkend gekrabbel aan je deur, gemekker in jouw nacht. Laat je me binnen? Bloot?

Ik heb een probleem, zie je. Ik weet niet wat ik schrijf, slechts dat ik schrijf, daarbij bloot ben.
Het ligt voor de hand te denken dat ik exhibionist ben. Dat is met het blote oog waar te nemen door iemand die zich kleedt in rauwe werkelijkheiddracht. Zoals jij.
Misschien ken jij het gevoel van bloot, of misschien voel je je naakt. Naakt onder de pedantie van zoveel bloot vlees, een lichaam, op zoek naar de ware gedaante van bloot.
Ach. Sneeuwmannetjes drommen om mij heen in de straten. Koud, en huiverend, ingepakt in sjaals, bolle jassen, wapperende broekspijpen, grof schoeisel en de blik op die voeten gericht. Ik kijk, en zie niet wat ze te vertellen hebben. Omdat dat de vraag blijkt te zijn, kijk ik langs hardgetrokken tepels van lenteborstjes naar beneden, zie witte tenen op de grauwe Hollandse stoep, en bedenk ik me dat ook mijn bloot niet lijkt te zeggen wat het vertellen wil. Gaat het om de woorden, vraag ik mij af? Zwart op wit, netjes op de onzichtbare lijn richting een al dan niet succesvol gepunt, of wil ik meer dan dat, bloot?

Hoe weet een mens zich nu nog bloot te gedragen? Eenmaal bloot hoef je niet aan te komen met subtiele hints om wat aandacht,
een streling over de mouw van een wollen trui, je inbeeldend hoe dat aan zal voelen op je trillende armhaartjes.
Eenmaal bloot is elke blik er een, en elke afwijzing al het andere.

Een brief aan Oscar van W., toneelschrijver. Misschien niet thuis, niet bereikbaar. In jouw grot zal ik me niet wagen, naakte waarheid laat zich liever niet zien, maar
bloot loop ik over het herfststrand naar je toe. Waar kijk je naar? Jouw teksten kleden je in, kleden je om, vertellen over de noodzaak van dracht, drachtig vel. Ze baren blote mensen, en daarom sta ik hier naast je, op teenverkillend zand.

En wil je vragen, wat ik te vertellen heb

13 October 2008
By on 20:56