‘Bloeit een verwelkende bloem nog?’
De wind slaat de vraag terug in mijn gezicht. Maakt dat hij ijl klinkt, vervlogen nog voor hij kans zag te groeien. De warmte van deze vreemde zon omhult me stevig, troost. Ik lig in een veld met aan het eind van de zomer wuivend gras, rijk gevuld met kleurend onkruid. Mijn stem weerklinkt vertrouwd door mijn geest, een mooie rustige intonatie, en een bevroren moment lang laat ik het beeld van de blauwe lucht met stilstaande witte wolkentorentjes samensmelten met vrede. Maar hoe is het mogelijk dat ze niet bewegen, terwijl het zo onaflatend waait? Hoe?
Er kriebelt iets in mijn nek! Weer een beestje. Ik ben bang voor beestjes. Een irrationele angst, dat weet ik, maar mijn machteloosheid tegen hun aanwezigheid, tegen de aandacht die ze vergen, is de grootste frustratie. Ik moet terug naar het huisje. Het moment was er, vrede, maar vluchtig, zoals altijd. Ik sta op en voel de striemen van het stugge gras op mijn dijen. Mijn zomerrok is een beetje vochtig geworden, is verkreukeld zoals ik, en ik kan niet strijken.
Met loodzware benen loop ik naar het gezellige vakantiehuisje met het karakteristieke hout en de drukke stilte. Een uur weet ik me te verstoppen voor mezelf en dan hou ik het niet meer uit.
Helblauw water onder een pastel hemel, dezelfde onbewogen witte wolkentorens, geklater van de spelende mens en het water op de stenen. Het zwembad; hoogtepunt van elk vakantieoord, gestoken in felgekleurde badlakens, de zon, en het blauwe water. Ik betreed de levende reclame en ga op een trapje zitten, het terras achter me, bevolkt door de acteurs van dit plaatje. Ik ben toeschouwer, ik word door niemand opgemerkt. Behalve door een kleine sluipwesp, waardoor ik me gedwongen voel een andere plaats in te nemen, die er eigenlijk helemaal niet is, waardoor ik besluiteloos half op sta, om toch maar weer te gaan zitten, en ik luister hoe mijn nek klaagt, mijn benen zeuren.
Maar dan zie ik Hem weer. Ik keek op, hij keek terug en nu loopt hij op me af. Ik had me dat eerder voorgesteld, maar nooit echt verwacht. Brede glimlach. Is deze kans mijn laatste? Wat moet ik doen? Ik kan mezelf niet zomaar aanbieden, al wil ik niets liever. De tragedie van elke liefde, groot of klein, maar gun me dit pleziertje.
‘Signora?’
‘Si?’
Terwijl hij zijn voor mij onbegrijpelijke vraag stelt, is de sluipwesp terug en onderzoekt het naar mij voorovergebogen gezicht. Hij gaat natuurlijk recht staan, wordt gedwongen zijn positie af te geven.
‘Do you speak english?’, roep ik haastig naar boven.
‘Eh, no englis’, zegt hij, maar toont daarover minder berouw dan ik zou willen.
De glimlach weer, en zijn handen gaan vertwijfeld de lucht in. Mensen die hem kennen, trekken algauw zijn aandacht van mij en de sluipwesp weg. Hij zwaait half naar me, het oogcontact schrijnend kort, en loopt weg. Ik heb kramp in mijn benen en kaken, spring doelloos in het water, houd mijn adem in en koester de kortstondig verlossende watermassa boven me. Na het zwemmen van een moeizaam baantje strompel ik in mijn natte bikini terug naar het huisje. Misschien kan ik zijn blik vanavond wel vangen, vasthouden, tot me nemen. Je moet altijd alert blijven op een ontsnapping.
Airconditioning en een aanhoudend klakkend geluid dat muggen op afstand moet houden. Daar zit ook troost in. Alleen ik en mijn dunne, witte vakantielaken; de veren in het bed een kort moment onvoelbaar. Een restje adrenaline geeft voeding aan mijn oneindige vakantiefantasie, en even voel ik me zoals ik hoor te zijn. Ze zeggen dat seks een heler is. Ik ben alleen maar benieuwd of mijn lijf het ooit nog zal herkennen als wat het in die potentie is. Ik betast mezelf, geduldig, maar realiteit haalt me in en de springveren drukken venijnig in mijn geteisterde heupen. Toch zal ik slapen.
Ik ben niet een vrouw die bang is rokken te dragen en ik kijk graag naar vrouwen die nog meer durven. Ik heb erg mooie benen. Ze zijn nu best bruin, en als ik mij insmeer met de anti-muggenspray glimmen ze me verleidelijk tegemoet. Het is al donker en de salade was niet genoeg om lang tegen de witte wijn te staken. Een gloss op mijn lippen, bravoure onder mijn arm en hakken die ik niet zou moeten dragen. En mooie benen. Ik sta op en vang de muziek op de wind.
Nu de warmte van de dag de dansvloer aan zee verlaten heeft, voelt de wind nat en fris en er kruipt kippenvel langs mijn enkels omhoog. Ik zie hem meteen. De onbetwistbare magneet die onze blikken doet blijven kruizen, heeft niet aan kracht ingeboet. Ik verstijf, plotseling koud en alleen, zonder mijn gebruikelijke savoir-faire. De herbevestiging van zijn aandacht put me een ogenblik uit. Adrenaline is zowel vriend als vijand.
Ik besluit tijd te winnen, overmand als ik ben door de belofte van de avond, die mijn nacht met hem zal worden. Aan de bar kijk ik een tel langs het van mij vervreemde lichaam naar beneden. Een rode jurk, al is het maar een bescheiden vakantievalletje, met lieflijke roze bloempjes erop. Bruine armen met rechts een donkerrode armband, net niet aangenaam contrasterend met het rood van de jurk, en nu ook, na een korte knik en een snelle uitwisseling, een rode cocktail, die zowel schrijnend als bemoedigend aanvoelt in mijn keel. Dan kijk ik op en zie ik me in de spiegel van zijn ogen. Een tel waaien mijn krullen door de tunnel van ons contact en zodra ik een hand hef ze weg te duwen, voel ik zijn aanwezigheid vergruizen.
De andere hoek van de dansvloer is leeg, en ik loop al, haastig, met grote passen en stokkende ademhaling over de gladde dansvloer, naar zijn nog steeds zichtbare silhouet vlakbij de strandopgang. De lichten verblinden me even, en zie ik mezelf bij herhaling dezelfde diagonale lijn lopen, zonder dat er een einde aan lijkt te komen. Mijn vermoeide benen herkennen en verwerpen de stappen die ik neem en ik voel me wankel. Met veel kracht dwing ik me opnieuw de richting te nemen die ik in een impulsieve reactie aanvankelijk had gekozen. Ik hoor en voel een zoemen in mijn nek, doordringend, indringend. Met mijn hand sla ik naar het vieze beest, maar mijn arm doet niet wat mijn geest opdraagt.
‘Signora?’
‘Si ?’
Terwijl hij zijn voor mij onbegrijpelijke vraag stelt, zweeft zijn gezicht vlak boven het mijne. Geen glimlach. Even wordt het zwart voor mijn ogen, maar dan schijnt er een fel licht in mijn gezicht en ik draai mijn hoofd weg, mijn ogen angstvallig dichtgeknepen.
‘Bloeit een verwelkende bloem nog?’
De wind slaat de vraag terug in mijn gezicht. Maakt dat hij ijl klinkt, vervlogen, nog voor hij de kans zag te groeien. Mijn stem weerklinkt vertrouwd door mijn geest, een mooie rustige intonatie, en een bevroren moment lang laat ik het beeld van de blauwe lucht met stilstaande witte wolkentorentjes samensmelten met vrede. Maar hoe is het mogelijk dat ze niet bewegen? Hoe?
Ik voel iets kriebelen in mijn nek. Het zijn die beestjes. Die vreselijke beestjes.